in de digitale nieuwsbrief van oktober 2019, uitgegeven door de synagoge in de Folkingestraat in Groningen, verscheen de tekst van de rede die daar door Winnie van Hasselt werd uitgesproken bij de herdenking van het wegvoeren van de bewoners en verzorgenden van het Joodse bejaardenhuis Beth Zekenim in Stad. 

Die rede sluit op diverse punten aan bij de eerste struikelstenen die in Warffum werden gelegd voor Levie en Frouke van der Hal - Bloemendal, de laatste Joden die uit Warffum moesten vertrekken. Het bleek dat Levie en Frouke met hetzelfde transport naar Westerbork en later naar Sobibor werden vervoerd als de mensen voor wie op 1 september 2019 bovengenoemde herdenking werd gehouden. 

Vandaar dat hier - met dank aan Winnie van Hasselt - de tekst wordt geplaatst van deze rede, omdat daarin zo'n duidelijk en invoelbaar beeld wordt geschetst van het leven in de jaren dertig en veertig van de vorige eeuw, en het lot van de Joodse inwoners van ons land en ons dorp. 

Hier volgt de lezing van Winnie:

Vandaag staan wij stil bij de slachtoffers van Beth Zekenim. Dankzij het initiatief van Joop Woldring en het werk van heel veel anderen. Letterlijk hebben we net bij ze stilgestaan op het pleintje voor Schoolholm 26, bij de prachtige gedenksteen van Olga Wiese; figuurlijk staan we nu bij ze stil in deze sjoel.

De meeste slachtoffers van wie u de namen door Jan Visser hebt horen voorlezen zijn op woensdag 9 maart 1943 gearresteerd bij de ontruiming van het tehuis, hun thuis. Buurtbewoners herinnerden zich later hoe de bejaarden in de bedden op het Zuiderdiep stonden te wachten op de vrachtauto’s en bussen waarmee ze afgevoerd werden. Alle bewoners werden naar Westerbork gebracht, de meesten zijn vandaar op 17 maart op transport naar Sobibor gesteld.

Niet allemaal werden ze op transport gesteld. Wilhelm Wolff niet. Hij was geboren in Ost Friesland. In 1938 kwamen hij en zijn Hongaarse vrouw vanuit hun toenmalige woonplaats Berlijn naar Nederland, naar Groningen. Ze hoopten en ze dachten hier veilig te zijn. Mevrouw Wolff-Kohn overleed in januari 1940. Meneer Wolff stierf in Westerbork op 29 april 1943. Was hij te oud, was hij te ziek om naar Sobibor te worden vervoerd?

Mijn broer Ron herkent drie fasen in de wegvoering van de Groninger Joden. De eerste fase betreft het zenden van ‘werkloze’ Joodse mannen naar werkkampen in het Noorden en Oosten van het land. Er waren in die tijd erg veel Joodse werklozen. Ze waren door de bezetter opzettelijk werkloos gemaakt. Zo mochten Joodse leraren alleen aan Joodse scholen werken, Joodse artsen mochten alleen Joodse patiënten behandelen. Een familielid van mij was huisarts in Aduard. Daar woonden vier Joden. Hij was werkloos geworden.

Deze eerste fase, dat zenden van de werklozen naar werkkampen vond plaats in de maanden juni en juli 1942. De tweede fase speelde zich af in de nacht van 2 op 3 oktober 1942. Toen werden in één grote razzia al deze werkkampen ontruimd en de mannen werden – soms te voet – naar Westerbork gevoerd. In diezelfde nacht werden in Groningen de vrouwen en kinderen van de mannen en het belangrijkste deel van de overige Joden opgepakt en naar Westerbork gebracht.

Een klein deel bleef achter: zwaar zieken die niet vervoerd konden worden, mensen met een Sperre van de Joodse Raad en de bejaarden van Beth Zekenim. Mijn oom Simon van Hasselt en zijn gezin hadden zo’n Sperre. Hij was hoofdonderwijzer van de door de bezetter ingestelde Joodsche School. Hij dacht dat hij veilig was.

De familie Polak van Praediniussingel 15, Polak van de puddingfabriek AJP - ze woonden in het huis waar wij na de oorlog hebben gewoond, mijn vader werkte toen wij daar woonden bij AJP - die familie Polak had zo’n Sperre. Mijn Tante Bertha Menco-Denneboom had zo’n Sperre. Haar kleindochter Bertien is hier nu aanwezig. In de derde fase werden zij weggevoerd. Daar is niet zo’n precieze datum voor te geven.

Mijn oom Simon en zijn gezin en de familie Polak werden op 12 februari 1943 in Auschwitz vermoord. Tante Bertha dook begin maart 1943 onder, gevaarlijk laat. Ze dook onder met haar twee kinderen. Haar man was al voor de oorlog overleden. Tante Bertha overleefde met haar kinderen de oorlog. Over hoe het kwam dat zij naar het nu lijkt zo op het nippertje was ondergedoken, hoe voor haar de onderduikperiode was geweest, over hoe het was om na de onderduik weer ‘gewoon’ door te gaan met het leven heeft ze niets verteld. Nooit. Haar ouders, haar zus en het hele gezin van haar zus werden weggevoerd en vermoord. Toen Tante Bertha onderdook woonden de bejaarden van Beth Zekenim nog in hun huis. Pas in deze derde fase werden de bewoners en het personeel van Beth Zekenim weggevoerd. Vandaag staan we daarbij stil.

Zorg voor wezen, weduwen en armen is een mitswe; een vervulling van een gebod en de voldoening die het vervullen van het bijbelse gebod geeft. Het hoorde bij een Joodse gemeenschap. Uit de beginjaren van de Kille Koudesj Groningen, de Joodse gemeente Groningen is een regelement overgeleverd. Het stamt uit 1744. Daarin kwamen al regels voor over armen- en bejaarden zorg. Want dat was een zorg.

Oud en arm, arm en oud. Dat waren vroeger eigenlijk synoniemen. Een oom en tante van mijn oma, Naatje Bernard en Elias Izaak Cohen woonden hier in deze buurt. Ze kregen negen kinderen, van wie er twee jong zijn overleden. Toen ze oud werden, niet meer konden werken, geen inkomen meer hadden, kregen ze iedere week van hun kinderen leefgeld. Vanaf het overlijden van Naatje in 1920 maakte de tachtigjarige Elias een rondgang door de familie. Bij elk van zijn kinderen verbleef hij twee maanden. Hij is zesentachtig geworden. Hij overleed in 1926. Hoe hij of zijn kinderen die laatste zes jaren hebben beleefd? En zijn kleinkinderen? Vroegen ze zich verheugd af wanneer Opa weer bij hen kwam logeren? Of was de vraag: wanneer gaat Opa weer weg? Dat weet ik niet. Het is te lang geleden. We kunnen het niet meer vragen. Zijn kinderen zijn weggevoerd en vermoord. Van zijn kleinkinderen hebben slechts twee de oorlog overleefd.

Wat gebeurde er met je als je geen kinderen had? En er niemand was om je in huis te nemen en voor je te zorgen? Mijn oudtante Jantje van Hasselt had geen kinderen. Ze is nooit getrouwd geweest. Haar vader, Mozes van Hasselt overleed toen ze drie was. Jantje was het tweede kind. In het gezin is voor haar een broer geboren en na haar een zusje en nog een broer. Moeder Henderica van Hasselt-Joosten stond er alleen voor. Toen haar man overleed was haar oudste net vijf jaar oud geworden. Haar jongste een baby. Het zal er geen vetpot zijn geweest. Sociale voorzieningen waren er niet.

Tante Jantje heeft na het overlijden van haar moeder een tijd ingewoond bij het gezin van haar zus en zwager op het Zuiderdiep. In 1939 kwam ze in Beth Zekenim terecht. Wat een zegen. Een modern gebouw voorzien van alle gemakken. En algehele verzorging. Ze was toen 67 jaar. Op 7 maart 1943 werd ze daar eenenzeventig. Het zal geen feestelijke verjaardag zijn geweest. Twee dagen na die verjaardag wachtte ze samen met haar medebewoners op het Zuiderdiep. Op een vrachtauto. Of een bus. In de kou. Het was maart. Tien dagen na haar eenenzeventigste verjaardag was er een ander vervoermiddel. Een trein. In Westerbork. Op weg naar het Oosten. Bestemming Sobibor.

Eindbestemming Sobibor. Het transport van woensdag 17 maart 1943 vanuit Westerbork, het derde transport naar Sobibor, kwam in de nacht van vrijdag op zaterdag 20 maart aan in Sobibor. Er werden 35 mannen jonger dan veertig jaar uitgezocht. Het ging om artsen en personen met een EHBO diploma. Alle anderen, 929 mensen werden direct na aankomst vergast. Ook de bewoners van Beth Zekenim. Sobibor was een vernietigingskamp. Mijn Tante Jantje werd eenenzeventig jaar en dertien dagen.

De 35 mannen moesten weer in de trein stappen en werden naar een 80 km verder gelegen kamp in het district Lublin gebracht, waar ze tegen de ochtend aankwamen. Aan het einde van de oorlog hadden 34 van deze 35 mannen de dood gevonden. Eén heeft alles overleefd. Dat was Elias Izak Alex Cohen, geboren in 1905 te Groningen. Hij is de enige overlevende van het transport van 17 maart 1943. Hij was geen arts. Hij was magazijnbediende. Hij had een EHBO diploma. Het transport van 17 maart 1943 was het derde transport naar Sobibor.

In totaal zijn er negentien treinen met eindbestemming Sobibor geweest. Van alle transporten naar Sobibor was dit het enige transport waarmee minder dan duizend mensen werden weggevoerd. Er zijn transporten bij geweest van meer dan drieduizend mensen. In totaal zijn 34.313 mensen naar Sobibor vervoerd. Achter die grote getallen gaan individuele mannen, individuele vrouwen en individuele kinderen schuil. Het is toch volmaakt onbegrijpelijk.

Door zo nauwkeurig te zijn, door de getallen zo precies te noemen probeer ik het onbegrijpelijke te begrijpen, het onbevattelijke te bevatten. Maar het is niet te bevatten. En het is eigenlijk niet onder woorden te brengen. Ik kan de woorden niet vinden en ga het toch proberen. Ik ben van 1941. Ik heb maar een beetje van de oorlog meegemaakt. Bombardementen. Wij waren niet in Nederland. Mijn ouders ontkwamen in de meidagen 1940 naar Engeland, waar mijn vader dienst nam en een actieve rol heeft gespeeld bij de bevrijding van Nederland. Mijn ouders praatten daar niet over.

Die generatie voor mij, zoals mijn ouders, zoals de oma van Bertien, hebben de woorden niet kunnen vinden. Zij zwegen erover. En misschien was er voor dat zwijgen nog een andere reden. Niet alleen omdat ze de woorden niet konden vinden. Joden, die de concentratiekampen overleefden, die opdoken uit de onderduik vonden leegte. De vertrouwde omgeving was verdwenen, er was geen misjpoge meer. En ze dachten misschien dat er toch niemand zou luisteren. Wie zou hen trouwens kunnen begrijpen?

Ik vertelde u eerder over het gezin van Naatje Bernard en Elias Izak Cohen. Van hun kinderen en kleinkinderen zijn slechts twee kleinzonen teruggekomen. Teruggekomen. Dat was het woord. ‘Niet teruggekomen’ de andere woorden. Dat werd zachtjes gezegd, fluisterend. De bewoners en verzorgenden van Beth Zekenim zijn niet teruggekomen. Twee kleinzonen van Naatje en Elias wel. Twee kleinzonen, die alle twee naar hun grootvader zijn genoemd. Het waren Elias Izak Alex Cohen, de enige overlevende van het transport van 17 maart en de andere Eli Aron Cohen, die Joodse huisarts uit Aduard, die werkloos werd, toen Joodse artsen geen niet-Joodse patienten meer mochten behandelen. Eli kwam in Auschwitz terecht en kwam terug. Hij specialiseerde zich en werd psychiater. Misschien heeft u wel eens van hem gehoord. Hij kreeg bekendheid door zijn beschrijving van het post-concentratiekampsyndroom.

Ik vertelde u iets over Wilhem Wolff en Jantje van Hasselt. Over iedere bewoner van Beth Zekenim is iets te vertellen. Hoe moeilijk de woorden ook te vinden zijn, we moeten erover spreken. Niet alleen maar om naar het verleden terug te kijken, maar ook om vooruit te kijken naar onze toekomst, de toekomst van onze kinderen en kleinkinderen. Opdat zij geen slachtoffers worden. Opdat zij geen daders worden.

Voor Tante Jantje, voor Meneer Wolff, voor de bewoners en verzorgers van Beth Zekenim, voor de kinderen en kleinkinderen van Naatje en Elias, voor al die anderen hebben wij de verantwoordelijkheid om niet onze ogen te sluiten voor ontwikkelingen waarbij angst en haat, haat en angst onze blik op gewone mensen vertroebelen. Uitsluiting, deportatie en vernietiging beginnen met gebrek aan medeleven, gebrek aan mededogen, gebrek aan respect en gebrek aan elkaar een plaats gunnen: naast ons, bij ons, te midden van ons.

Vandaag gedenken wij de slachtoffers van Beth Zekenim. Vandaag kijken we naar onze toekomst.

Zie ook: https://www.joodsmonument.nl/nl/page/383827/schoolholm-26