Een voordracht in de Nieuwe Kerk in Amsterdam op 4 mei 2013 door Pauline Broekema

In de avond van 4 mei vindt jaarlijks de Nationale Herdenking plaats. Voorafgaande aan de plechtigheid bij het Nationaal Monument op de Dam organiseert het Nationaal Comité 4 en 5 mei in De Nieuwe Kerk te Amsterdam een herdenkingsbijeenkomst met overlevenden van de Tweede Wereldoorlog en nabestaanden van oorlogsslachtoffers. Bij die bijeenkomst zijn Z.M. de Koning, H.M. de Koningin en officiële genodigden aanwezig. In 2013 heeft het Nationaal Comité 4 en 5 mei Pauline Broekema uitgenodigd tijdens de bijeenkomst in De Nieuwe Kerk een voordracht te houden. De tekst van deze voordracht, ‘Geef mij onze klei maar!’ getiteld, volgt hier. Pauline Broekema is tv-journalist en schrijfster. Zij deed onderzoek naar joods leven in de mediene en publiceerde daarover het boek Benjamin. Een verzwegen dood. In haar 4 mei-voordracht verwerkte zij materiaal dat eerst na verschijnen van dat boek aan het licht kwam. 

 ‘Geef mij onze klei maar!’

‘Hij hield van fresia’s,’ zegt mijn moeder. Mijn oom, de verzetsman, de jongen met de dromerige ogen in het lijstje op ons dressoir, voor hem kopen we bij een stalletje een bosje. Liever had ik rozen gehad. Of lelies. Zo’n indrukwekkend boeket waar ik andere mensen op de Dam mee zie staan. Uit het Noorden komen we, het land waar ik geboren ben. Mijn moeder niet, die is van het Westen, van wat wij ‘Holland’ noemen. Acht jaar ben ik en nog nooit in Amsterdam geweest. We maken een rondvaart, zien het Anne Frank Huis en de Nachtwacht, en in een groot warenhuis mag ik iets uitkiezen. Een armband is het geworden. Die tinkelt geruststellend. Dat is prettig want nu, op de Dam, is mijn moeder stil. Ik weet, ze denkt aan ‘oorlog’. Als ik bij mijn opa en oma – in Holland – logeer hangt daar overal ‘oorlog’. In de tuin waar de overvalwagens stonden, de schuur waar wapens werden verborgen. De kelder met planken met glazen potten met vruchten op sap. ‘Zelfs die hebben ze leeggevroten,’ zei mijn moeder eens, ruw voor haar doen. Alleen de hoge kast met triomfantelijke houten kuif kregen ze niet weg, verder werd het hele huis leeggehaald.

Mijn moeders rouw om haar gefusilleerde broer en haar gehavende jeugd. Daar ligt de basis. Voor mijn eeuwig willen weten van de oorlog. Ik zal er altijd over blijven lezen. En luisteren naar de verhalen. Over moedige weerstand. Bombardementen, onderduik, razzia’s, dwangarbeid, hongertochten. Over de kampen op Java, Sumatra… En vooral het verhaal van mensen. Zoals wat gebeurde met die jonge vader. Benjamin Broekema. Geen familie van mij, al dragen we dezelfde achternaam. En de geschiedenis van de andere bewoners. Van het dorp op de wierde.

De wierde, die is spekglad op die winterdag in 1932. De huisarts daalt haar glibberend af en bereikt de woning van de jonge politieman en zijn hoogzwangere vrouw. Nét op tijd. Een meisje. En vijf minuten later – niet verwacht – nog één. De vader van de tweeling is boomlang en indrukwekkend in zijn politie-uniform. In burger gaat hij liever niet. Hij haat zijn twee nette pakken. Het zwarte noemt hij daarom spottend ‘kraai’. Het donkerblauwe met krijtstreep ‘ekster’. Gewend dat zijn vrouw beslist staat hij op zondagmorgen, voor kerktijd, boven in het trapgat met twee hangertjes. En roept naar haar: ‘Kraai of ekster?’

Het dorp ligt aan het spoor en vlakbij de zee. Aan de kim, oprijzend, een eiland met hotels: dat is Duitsland, bij helder weer zichtbaar, maar toch ver weg. Veel dorpelingen dragen een achternaam die eindigt op -stra, -ga, -ma. Protestants, katholiek, joods, ongelovig; ze zijn er van alle gezindten. Zo heb je in het dorp niet-joodse Broekema’s en joodse. Het dorp is klein maar kent een keur aan kruideniers, bakkers, slagers. Ze maken lange dagen. Staan in hun winkel en doorkruisen de uitgestrekte polders voor bestellingen. De laatste tijd zwelt de stroom kooplieden aan. Vreemdelingen die vertellen van gekalkte leuzen en laarzen, versplinterd glas, Schutzhaft en wachttorens. Dan weet iedereen weer: dat is daar, bij ons is het goed. Alles op orde. De vuilnisman die wekelijks zijn ronde doet en de tonnen leegt op de belt. De spaarbank, het postkantoor, het gemeentehuis. Het bloeiende verenigingsleven.

De fanfare bijvoorbeeld; je kunt er al jong terecht. Neem de parmantige trommelaar. De oudere muzikanten noemen hem vertederd klein baasje. Na de repetitie gaat hij direct naar huis terwijl de ouderen blijven plakken voor koffie en bier. Bij stakingen of in de raadszaal staan ze elkaar geregeld naar het leven maar hier zitten ze in kameraadschap bijeen. De kleermaker van het dorp speelt saxofoon en moet er hard voor studeren. Stilzwijgend is hij jaloers op een populaire medemuzikant. Die heet Benjamin Broekema. Blaast als de beste. Slager van beroep schrijft hij liever dan dat hij achter zijn hakblok staat. Schetsen voor het socialistische dagblad, radiopraatjes, zijn toneelstukken in de taal van de streek worden door de hele provincie gespeeld. Het dorp is trots op hem.

Als Benjamin op zijn slagersfiets langs koren of koolzaad gaat kun je er op wachten dat hij stopt en iets noteert in zijn bestelboekje:

‘Nee, ik hou niet van die bedompte stadslucht, de hoge huizen en de benauwde tuintjes. Geef mij onze klei maar! Waar de boerenwagens rammelen en men zichzelf is.’

Rook vult het repetitielokaal, vanavond trakteert Benjamin op sigaren. Hij is net getrouwd met Sara, in het stadje vlakbij, in de synagoge met het blauwe plafond en, als met losse hand gestrooid, wat gouden sterren. Hun huwelijk wordt gezegend met twee meisjes. Reina en Rachelina, die Lineke wordt genoemd.

De slager en de boomlange politieman worden buren. Tot grote vreugde van de tweeling, de dochters van de politieman. Dol zijn ze op de meisjes Broekema. Mogen met ze uit wandelen over de wierde. Hun moeders waarschuwen: ‘Kijken jullie uit? Tot aan het hoge bruggetje en denk erom, niet naar het station.’ Met Reina aan de hand en Lineke in de kinderwagen speelt de tweeling dat het hun zusjes zijn. Achter hun huizen staat de kleuterschool. Reina Broekema is bijna zo ver. Knippen en plakken en kleien, matjes vlechten, zingen in de kring. Ze kán niet wachten.

De winter van 1940 lijkt magistraler dan ooit tevoren. Mannen worden weer jongens en geven zichzelf ijsvrij. Nog één keer, want de dooi hangt in de lucht. Ze schuiven de kranten met onheilsberichten als isolatie onder hun trui en weg zijn ze. Ze hebben gereden en hun zorgen vergeten. Het voorjaar van 1940, de kleermaker woont nog bij zijn ouders. Hij zit die dag in mei in het atelier op tafel, jawel, in kleermakerszit. Bezig aan een kostuum van tijdloze snit, want wat hij maakt kan een leven lang mee. Zijn moeder, struikelend over haar slippers, brengt buiten adem het bericht. ‘Daar zul je ze hebben.’ Op brullende motoren nemen de soldaten de wierde en gaan door naar het volgende dorp. Ze blijven weg, voor wie zich dat wil verbeelden.

Maar ’s avonds als hun dochters slapen bekent Benjamin bij de heg tegenover zijn buurman, de politieman: ‘Ik heb alle dagen buikpijn.’

De maatregelen volgen elkaar sluipend op. De kleine Reina Broekema, net begonnen, moet van de kleuterschool. Hoort voortaan in de achtertuin haar klasgenootjes spelen op het plein.

Benjamin moet zijn winkel sluiten.

De politieman bezit een boxje, zo’n zwart klein toestel en stelt zijn buren voor een foto van ze te nemen. Benjamin in zijn nette pak, Sara in donkere jurk met kanten kraagje, Reina en Lineke, een grote gesteven strik in het haar. En niemand lacht echt. Het is de enige foto die van het gezin bestaat.

In juli ’42 komt de oproep. Benjamin moet zich melden, met een andere jonge vader, van verderop uit de straat. Een fanfarelid doet Benjamin een voorstel, hij wil hem verbergen. Maar heeft in zijn huisje, bovenop de wierde, slechts plaats voor één. ‘Nee,’ weet Benjamin, ‘als ik onderduik breng ik mijn gezin in gevaar.’ De avond voor hun vertrek nemen beide mannen afscheid van het dorp. Ze hebben een lijst ontvangen met wat mee mag naar het werkkamp in het Oosten. Dat moet in een rugzak of koffer. Een koffer, wie heeft die nou? Die heb je nodig voor zo iets onzinnigs als vakantie. Waarover Benjamin schreef:

‘Laat de mensen maar naar badplaatsen reizen, in het zand liggen en zonnebaden. Aanstellers zijn het die zichzelf wijs maken dat ze plezier hebben. (…) Nergens is het beter dan op de grond waar je geboren bent. Waar je hebt gespeeld en bent opgegroeid. Je eigen grond.’

Een dorpsgenoot leent ze een koffer die hij gebruikte toen hij nog zonder baan zat en met textiel langs de deuren ging. Hij zegt: ‘Ik krijg hem later wel weer eens terug hè?’

De bestemming ligt in de volgende provincie. Barakken, prikkeldraad, bewaking door SS en marechaussee. In Westerbork treft Benjamin een bekende. Die zegt: ‘Jij hier?’ Het is de parmantige trommelaar, uit de fanfare. Het kleine baasje heeft werk gevonden bij de marechaussee.

In november 1942 komt de oproep voor de laatste vrouwen en kinderen. De politievrouw helpt haar buurvrouw Sara Broekema met pakken. ‘Laat Reina en Lineke dan hier,’ dringt ze aan. ‘Nee,’ zegt Sara. ‘We moeten bij elkaar blijven. Straks zien we mijn man weer.’ De vrouwen maken van overgordijnen broeken voor de meisjes. Want Sara zegt: ‘Als het daar nou eens heel koud is.’ Ook de kleermaker helpt. Van de stugge dikke stof van het tafelkleed naait hij capuchons, en rugzakken van wat overblijft.

De volgende dag mag de tweeling spijbelen van school om de dorpsgenoten uitgeleide te doen. Ze lopen met z’n allen de straat uit, de bocht om, naar het station. De trein nadert, met mannen in uniform, de kinderen gaan als eersten naar binnen, klauteren op de treeplank. Achter het raam verschijnt het opgetogen gezichtje van Lineke Broekema. Haar krullen dansen. Mee met de trein. Dat gebeurt een dorpskind niet zo vaak.

Enkele weken later rijdt een vrachtauto de wierde op en doet de verlaten huizen aan. Keurig wordt opgeladen wat eerder van gemeentewege werd genoteerd. Toonbank, ronde tafel, boekenrek, kinderbed met matras… De inventaris, tenminste wat er nog van over is. Want voor de ambtenaar langsging, zijn zegels verbroken en bezittingen geroofd.

Al is het oorlog, de vuilnisman leegt nog altijd de tonnen op de belt. Daar struinen geregeld kinderen rond. Tussen de rommel treft een jongetje een rol. Het perkament is besmeurd. Hij neemt de rol mee naar huis, zal hem daar bewaren en vele jaren later kunnen lezen wat er staat. Het boek Esther. ‘In de dagen van Ahasveros…’

Een joods echtpaar van in de negentig mag blijven. Denkt het dorp. Maar in het voorjaar van 1943 moeten ook zij weg. De politieman krijgt opdracht te assisteren. Hij heeft steeds geweigerd en doet dat nu weer. De Sicherheitsdienst ontbiedt hem op het gevreesde hoofdkwartier aan de markt in de stad. Vandaar smokkelt hij nog een bericht naar huis.

‘Mocht ik jullie hier op aarde niet meer zien, dan hoop ik jullie in de hemel weer te ontmoeten.’ Hij verdwijnt naar een kamp, eerst Ommen, dan Amersfoort. Weet op transport naar Duitsland te ontkomen Duikt onder en haalt ternauwernood de bevrijding.

Zijn dochters, de tweeling van de politieman, ze zijn nu eenentachtig. Als ze elkaar spreken gaat het vaak over de oorlog. Over hun buren: Benjamin, Sara, Reina en Lineke. De anderen. Al hun joodse dorpsgenoten, tweeëntwintig mannen, vrouwen en kinderen vermoord in Mauthausen, Sobibor, Auschwitz.

Laatst nog belde ik één van de dochters van de politieman om te vertellen van een mail die ik ontving. Over een man en vrouw die onlangs Auschwitz wilden bezoeken, maar te laat gearriveerd de nacht doorbrachten in een hotel in de buurt van het kamp. In hun kamer openden ze een kast. Daar wiegde een hanger met een opdruk. In zwarte letters een Nederlandse naam en een plaats. Later zoeken ze het uit. Het blijkt een kledinghanger van de kleermaker. Van het dorp op de wierde.

De Dam. Ik zie mezelf weer staan, die avond, met dat bosje fresia’s. Klein meisje met een moeder die zwijgt. Na alles wat ik las en hoorde, begrijp ik zo veel beter het waarom. Er speelde van alles door mijn moeders hoofd. Verdriet om een dappere broer maar ook om de grote risico’s die hij nam. Rouw om hen die hij met zijn verzetsgroep niet kon redden. Woede om na-oorlogs onbegrip: het elektriciteitsbedrijf dat mijn grootouders in rekening bracht wat de bezetter in hun huis verbruikte. Opa’s vergeefse protest: ‘Wij waren gevlucht. Onze zoon is gefusilleerd.’

Ik ben weer even acht. Ja, zo ging het: Ik treuzel bij het Monument want wil bij de laatsten horen. Duld geen andere boeketten op de fresia’s voor mijn oom. Nu praat mijn moeder weer. ‘Kom. Straks missen we onze trein.’ Gespeelde nuchterheid, zoals altijd op vier mei. Ze streelt even mijn haren, trekt me naar zich toe, neemt me bij de hand. We zetten er samen de pas in. Mijn rinkelarmband tinkelt zachtjes mee.

 

Dit is de foto waarover Pauline in deze voordracht spreekt, gemaakt door hun buurman de politieman, Gerrit Kuilder.